ECLI:NL:CRVB:2014:2617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Leiden
Appellant ontving sinds 8 mei 2007 bijstand van de gemeente Leiden. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek naar zijn woonplaats. Het college concludeerde dat appellant sinds 2007 niet meer in Leiden woonde en trok de bijstand per 1 februari 2012 in, met terugvordering van de ontvangen bedragen over de periode 2007-2012.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het onderzoek onvolledig was en dat hij pas in 2012 verhuisde naar het adres van zijn relatiepartner in Alkmaar, met wie hij een LAT-relatie had.
De Raad oordeelde dat appellant gehouden mag worden aan zijn verklaring van februari 2012 dat hij sinds 2007 zijn hoofdverblijf in Alkmaar had. De verklaring werd niet weerlegd door medische of objectieve gegevens en vond steun in het lage water- en energieverbruik en verklaringen van buurtbewoners. De schriftelijke en mondelinge verklaringen van de relatiepartner konden dit oordeel niet wijzigen.
De Raad wees het verzoek tot heropening van het onderzoek af vanwege te late indiening van stukken. De gevolgen van intrekking en terugvordering kunnen in de invorderingsfase worden bestreden. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens ontbreken van het hoofdverblijf in Leiden worden bevestigd.