ECLI:NL:CRVB:2014:2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- M.F. Wagner
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning scootmobiel en persoonsgebonden budget op grond van Wmo
Appellant, die door een verkeersongeval mobiliteitsbeperkingen heeft, kreeg van het college een scootmobiel toegekend via een persoonsgebonden budget (pgb) gebaseerd op de aanschafwaarde van een driewielige scootmobiel. Appellant kocht echter een duurdere vierwielige scootmobiel en maakte bezwaar tegen de hoogte van het pgb. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant niet meewerkte aan een onderzoek naar de meest geschikte scootmobiel, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de referentievoorziening onvoldoende was.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het college de compensatieverplichting correct had nageleefd door het pgb te baseren op de referentievoorziening. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college ten onrechte geen programma van eisen had opgesteld en dat hij niet kon worden verweten niet mee te werken aan het onderzoek.
De Raad stelde vast dat appellant tijdens het onderzoek niet wilde deelnemen aan de passing en geen toestemming gaf voor medisch onderzoek, waardoor geen programma van eisen kon worden opgesteld. De verklaring van een ergotherapeut van appellant dat een vierwielige scootmobiel noodzakelijk was, overtuigde de Raad niet. De Raad concludeerde dat het college terecht het pgb op basis van de driewielige scootmobiel had vastgesteld en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college heeft terecht het pgb vastgesteld op basis van de driewielige scootmobiel als referentievoorziening.