ECLI:NL:CRVB:2014:2507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijfstitel en toepassing artikel 16 WWB
Appellant, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon met ernstige medische aandoeningen, ontving bijstand op grond van de WWB. Na het verlies van zijn verblijfstitel werd de bijstand ingetrokken met ingang van 8 september 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij ten onrechte geen bijstand ontving in de periode zonder rechtmatig verblijf, mede vanwege zijn kwetsbare medische situatie en de bescherming van artikel 8 EVRM Pro. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant ten tijde van de intrekking geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, WWB, waardoor artikel 16, tweede lid, WWB van toepassing is. Dit artikel sluit het recht op bijstand uit, zelfs bij zeer dringende redenen.
De Raad stelt vast dat de bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kan worden gerealiseerd in deze situatie. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellant geen recht had op bijstand op grond van artikel 16, tweede lid, WWB.