ECLI:NL:CRVB:2014:2443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig onderzoek
Appellante, werkzaam als verkoopster, meldde zich ziek met rug-, been- en voetklachten en chronische vermoeidheid. Na medisch onderzoek werd vastgesteld dat er geen somatische oorzaak was voor de klachten en dat zij beperkt was in fysiek belastende activiteiten, maar zonder urenbeperking. De arbeidsdeskundige concludeerde dat zij geschikt was voor passende functies met een verdiencapaciteitsverlies van 16,78%.
Het UWV besloot daarom geen WIA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% lag. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar, waarbij ook een psycholoog betrokken was die het medische beeld onderschreef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en de subjectieve klachtenbeleving onvoldoende was voor een andere beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat het Protocol chronisch vermoeidheidssyndroom niet adequaat was toegepast. Zij stelde dat haar klachten een urenbeperking rechtvaardigen en dat zij volledig arbeidsongeschikt is. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts het Protocol wel degelijk hebben gevolgd en dat er geen objectieve medische gegevens zijn die verdere beperkingen rechtvaardigen.
De Raad bevestigde dat de functies passend zijn en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.