ECLI:NL:CRVB:2014:2386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- E.R.C. Schut
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellante ontving aanvullende bijstand van juli 2007 tot december 2012. In januari 2011 ontdekte het college dat zij naast een opgegeven bankrekening ook een tweede bankrekening had waarop in 2010 diverse kasstortingen plaatsvonden. Appellante gaf deze stortingen niet door, wat leidde tot een besluit van het college van 24 oktober 2011 om de bijstand over meerdere maanden in 2010 in te trekken of te herzien en terug te vorderen, en een verlaging van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij de herkomst van de kasstortingen aannemelijk had gemaakt en de inlichtingenverplichting niet had geschonden. De Raad oordeelde dat voor de meeste maanden geen verband kon worden gelegd tussen opnames en stortingen, waardoor de kasstortingen terecht als inkomsten werden aangemerkt. Voor september 2010 was echter wel aannemelijk dat een storting van €280 afkomstig was van een opname enkele minuten eerder, zodat deze niet als inkomen mocht worden beschouwd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de herziening en terugvordering over september 2010 betrof en droeg het college op een nieuwe berekening te maken. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed. De Raad zag af van toepassing van de bestuurlijke lus en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand over september 2010 wordt vernietigd.