ECLI:NL:CRVB:2014:2385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet opgegeven vermogen na onrechtmatige toe-eigening geld
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het college trok deze bijstand in vanwege het niet opgeven van een vermogen dat zij feitelijk beschikten. Dit vermogen bestond uit geld dat appellant onrechtmatig had toegeëigend van een stichting waar zijn broer werkte.
Hoewel appellant civielrechtelijk verplicht was tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, oordeelde de Raad dat dit niet betekent dat hij niet beschikte over het vermogen in de zin van de WWB. Pas met het vonnis van 11 februari 2010 was de schadevergoedingsplicht concreet vastgesteld.
De Raad verwierp ook het beroep op de gokverslaving als verklaring voor het snel vergokken van het geld, omdat dit onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Het college had terecht het recht op bijstand ingetrokken en de terugvordering gehandhaafd. De kosten van rechtsbijstand werden niet vergoed omdat appellanten het vonnis niet tijdig hadden gemeld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.