Uitspraak
13 maart 2013, 12/4416 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
€ 3.110,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden door het college van burgemeester en wethouders van Velsen aangesproken wegens het niet melden van kasstortingen op de bankrekening van appellant. Het college herzag de bijstand over de periode van juni 2007 tot mei 2011 en vorderde ten onrechte verleende bijstand terug, met een verlaging van de bijstand als maatregel.
Appellanten voerden aan dat de kasstortingen niet tot de middelen behoorden en dat zij deze niet hoefden te melden. De Raad oordeelde dat het saldo op de bankrekening wordt vermoed tot de middelen te behoren en dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat de stortingen geen middelen waren. De verklaringen over de herkomst van de stortingen waren inconsistent en onvoldoende onderbouwd.
De Raad bevestigde dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden en dat het college terecht de bijstand heeft herzien en teruggevorderd. Ook de opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand werd gegrond geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstand bevestigd.