ECLI:NL:CRVB:2014:2300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2014
Publicatiedatum
8 juli 2014
Zaaknummer
13-1742 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:182 BWArt. 1:3 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen terugvordering Wuv-uitkering na overlijden niet-ontvankelijk verklaard

Appellant maakte bezwaar tegen een brief van de Sociale verzekeringsbank waarin werd meegedeeld dat een openstaande terugvordering van een Wuv-uitkering na het overlijden van diens moeder op hem als erfgenaam was overgegaan. De brief was informatief en vormde geen bestuursrechtelijk besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de overgang van de schuld op grond van het erfrecht van rechtswege plaatsvond en niet door de brief van 20 april 2011. Het bezwaar van appellant tegen deze brief was daarom onontvankelijk. Het bestreden besluit waarin dit bezwaar ongegrond werd verklaard, werd vernietigd.

De Raad besloot zelf het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en bepaalde dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt. Er was geen sprake van bestuursrechtelijke besluitvorming jegens appellant, omdat de terugvordering was gericht op de moeder van appellant en het besluit daartoe onherroepelijk was geworden vóór haar overlijden.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de informatieve brief over de schuldovergang is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

13/1742 WUV
Datum uitspraak: 3 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 februari 2013, kenmerk BZ01361386. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 27 oktober 2008 is een bedrag van € 1.475,19 aan in het verleden uitbetaalde Wuv-uitkering teruggevorderd van de moeder van appellant. In de daaropvolgende periode is één keer € 250,- en twee keer € 100,- op dit bedrag afgelost.
1.1.
In 2011 is de moeder van appellant overleden. Bij brief van 20 april 2011 heeft verweerder de erven meegedeeld dat het nog openstaande bedrag van € 1.025,19 bij hen wordt neergelegd, omdat de vordering volgens de regels van het erfrecht overgaat op de erven die de nalatenschap hebben aanvaard.
1.2.
Appellant, die enig erfgenaam is, heeft tegen de brief van 20 april 2011 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.
De Raad komt, ambtshalve, tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van artikel 4:182, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden bij het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. De overgang op appellant van het nog openstaande gedeelte van de schuld aan verweerder, waarop het besluit van 27 oktober 2008 ziet, heeft dus van rechtswege plaatsgevonden. Het is niet de brief van 20 april 2011 geweest die tot die overgang heeft geleid. Deze brief is daarmee niet op rechtsgevolg gericht, maar zuiver informatief van aard. Dat betekent dat de brief niet is te beschouwen als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het was dus niet mogelijk om op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb bezwaar tegen deze brief te maken.
2.2.
Het overwogene onder 2.1 betekent dat verweerder het bezwaar van appellant ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Dat wordt niet anders door de uitspraak van de Raad van 24 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1333, waarnaar verweerder in dit verband heeft verwezen. In de zaak waarop deze uitspraak betrekking heeft was sprake van definitieve vaststelling van een Wuv-uitkering na het overlijden van de betrokken Wuv-gerechtigde, dit op grond van het toenmalige artikel 59a, vierde lid, van de Wuv, waarbij tegelijkertijd een terugvorderingsbesluit is genomen. Het beroep zag niet op het overgaan van een al bestaande schuld naar de erven van de schuldenaar, maar op het bedoelde, rechtstreeks jegens de erven genomen (bestuursrechtelijke) besluit waarin de terugvordering is neergelegd. In het geval van appellant is teruggevorderd van de moeder van appellant, niet van appellant zelf. Het besluit daartoe is ruim vóór haar overlijden rechtens onaantastbaar geworden. Appellant is dus ook niet in haar plaats getreden hangende enige tegen dat besluit lopende procedure. Van bestuursrechtelijke besluitvorming jegens appellant is, kortom, op geen enkele manier sprake. Verweerder had het bezwaar tegen de brief van 20 april 2011 niet-ontvankelijk moeten verklaren.
2.3.
Het beroep is gegrond. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
3.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2013;
- verklaart het bezwaar tegen de brief van 20 april 2011 niet-ontvankelijk en bepaalt dat zijn
uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 44,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en
R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2014.
(getekend) R. Kooper
(getekend) B. Rikhof

HD