ECLI:NL:CRVB:2008:BD1333
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Terugvordering teveel betaalde WUV-uitkering van erven valt in nalatenschap
De zaak betreft een beroep van de erven van een overledene tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot terugvordering van een teveel betaalde periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). De overledene ontving een WUV-uitkering als nabestaande van een vervolgingsslachtoffer, maar na haar overlijden werd vastgesteld dat er over de jaren 2005 en 2006 een bedrag van € 2.268,24 te veel was uitbetaald vanwege een verlaging van de eigen bijdrage AWBZ.
De appellanten betwistten de terugvordering, stellende dat de teveelbetaling niet aan enig verwijt van de overledene te wijten was en dat de terugvordering daarom niet aan hen kon worden opgelegd. De Raad stelde vast dat de definitieve vaststelling van de uitkering niet was betwist, waardoor de hoogte van de terugvordering vaststond. De kernvraag was of de terugvordering terecht op de erven kon worden gericht.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 59a van de WUV de terugvordering van teveel betaalde uitkeringen ook verplicht is bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde en dat deze terugvordering valt in de boedel van de nalatenschap. Aangezien niet was gesteld dat de nalatenschap was verworpen, was de terugvordering terecht aan de erven gericht. Het feit dat de overledene niet verwijtbaar had gehandeld, deed hieraan niet af. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van de erven tegen de terugvordering van de teveel betaalde WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.