ECLI:NL:CRVB:2014:2269

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
3 juli 2014
Zaaknummer
13-445 BBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Bbz 2004Art. 44 Bbz 2004Art. 58 Bbz 2004Art. 59 WWBArt. 475c Rv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichte terugvordering van bijstand aan ex-partner na echtscheiding

Appellante was gehuwd met [naam echtgenoot] die een eenmanszaak exploiteerde. Het college kende hen gezamenlijk bijstand toe op grond van het Bbz 2004 naar de norm voor gehuwden. Na echtscheiding en vertrek van [naam echtgenoot] naar Engeland, kreeg appellante bijstand als alleenstaande ouder.

Het college stelde het recht op bijstand definitief vast en vorderde een restantbedrag van €5.700,39 terug van appellante en haar ex-partner. Appellante voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de bijstand en stelde dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege haar financiële en gezondheidsproblemen.

De Raad oordeelde dat de bijstand als gezinsbijstand werd verleend en dat appellante en haar ex-partner als een eenheid worden beschouwd voor terugvordering. Er is geen reden om van terugvordering af te zien, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond. Het college is verplicht het bedrag terug te vorderen en mag appellante hoofdelijk aanspreken. Het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €5.700,39 van appellante en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

13/445 BBZ
Datum uitspraak: 1 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
12 december 2012, 12/7680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
J. [K.] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kruik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is gehuwd geweest met [naam echtgenoot] ([K.]). [K.] exploiteerde sinds 2004 de autorijschool ‘Sahdat Autorijschool’ in de vorm van een eenmanszaak. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college aan appellante en [K.] over de periode van
8 februari 2010 tot en met 31 oktober 2010 bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) naar de norm voor gehuwden, in de vorm van een renteloze lening. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het college de bijstand verlengd tot en met 31 december 2010.
1.2.
Op 18 november 2010 is de echtscheiding van appellante en [K.] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. [K.] heeft aan het college doorgegeven dat hij vanaf 29 december 2010 niet meer in [woonplaats] woont maar is vertrokken naar Engeland. Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 29 december 2010 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.3.
Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college aan de hand van de jaarstukken over 2010 het recht op bijstand van appellante en [K.] over de periode van 8 februari 2010 tot en met 28 december 2010 definitief vastgesteld. Daarbij heeft het college bepaald dat appellante en [K.] over het boekjaar 2010 in aanmerking komen voor een bedrag van
€ 8.169,50 aan bijstand om niet. Dit bedrag is in mindering gebracht op het oorspronkelijke bedrag van de lening, zodat het restantbedrag van de lening € 5.700,39 bedraagt. Het bedrag van € 5.700,39 wordt van [K.] teruggevorderd. Bij besluit van 7 maart 2012 heeft het college het bedrag van € 5.700,39 van appellante teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 13 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2012 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de aan [K.] verleende bijstand, zodat het college appellante ten onrechte heeft aangesproken voor de terugvordering. Voorts is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien, gelegen in de omstandigheid dat appellante al jarenlang op bijstandsniveau moet zien rond te komen met haar schoolgaande kinderen nadat haar huwelijk is beëindigd en dat appellante last heeft van stress en gezondheidsklachten. Niet is gebleken dat het college een belangenafweging heeft gemaakt. In het kader van de invordering heeft appellante aangevoerd dat het onredelijk is dat het college geen moeite doet om het terug te vorderen bedrag bij [K.] in te vorderen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 wordt de bijstand, indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen meer is dan de jaarnorm, ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.
4.2.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, worden in afwijking van artikel 58 van Pro de wet kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en de hoofdstukken V en VI.
4.3.
In artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 is bepaald dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.4.
Gelet op hetgeen is weergegeven onder 1.1 en 1.3 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004, zodat het college verplicht is de kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.700,39 terug te vorderen. Hierbij is niet van belang dat appellante het aanvraagformulier bijstand zelfstandigen niet mede heeft ondertekend, omdat uit de onder 1.1 genoemde toekenningsbesluiten blijkt dat de bijstand aan appellante en [K.] als (gezamenlijk) subject van bijstand is toegekend naar de norm voor gehuwden. Evenmin is relevant dat appellante in het geheel niet op de hoogte zou zijn geweest van de uitkeringssituatie. Beslissend is dat aan appellante en [K.] bijstand naar de norm voor gehuwden is verleend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953) worden in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft.
4.5.
Nu het hier om een verplichting van het college tot terugvordering gaat, is een belangenafweging of toetsing aan het door appellante genoemde evenredigheidsbeginsel niet aan de orde.
4.6.
Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellante is van consequenties als hiervoor bedoeld niet gebleken. Hierbij is nog van belang dat appellante inmiddels aflost op de vordering waarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet, als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.7.
Vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor de terugbetaling ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB kan het college bij appellante het volledige terugvorderingsbedrag invorderen. Dat appellante dit onredelijk vindt, doet daar niet aan af. Voorts heeft het college de keuze bij wie van de hoofdelijk aansprakelijken (in eerste instantie) zal worden ingevorderd.
4.8.
Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2014.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) J.T.P. Pot

HD