Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juni 2014
Publicatiedatum
2 juli 2014
Zaaknummer
11-6136 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:26 AwbArt. 8:73 AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en vergoeding wettelijke rente bij overschrijding redelijke termijn

Betrokkene kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend door het UWV, wat werd bevestigd in het bestreden besluit van 16 februari 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing.

In hoger beroep concludeerde het UWV op basis van een deskundigenrapport dat betrokkene 80 tot 100% arbeidsongeschikt is met geringe kans op herstel. Op 7 maart 2014 werd een nieuwe beslissing genomen waarbij betrokkene alsnog een IVA-uitkering werd toegekend en kosten in bezwaar werden vergoed.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor het onderzoek werd heropend voor een nadere uitspraak over schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding, waarbij tevens de Staat der Nederlanden als partij werd betrokken.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, betrokkene krijgt een IVA-uitkering toegekend, wettelijke rente en proceskosten worden vergoed, en het onderzoek wordt heropend voor schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

11/6136 WIA
Datum uitspraak: 20 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van
15 september 2011, 09/622 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens betrokkene heeft J.R. Beukema een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. Namens betrokkene is J.R. Beukema verschenen.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
Op 3 november 2013, aangevuld op 17 december 2013, heeft de door de Raad benoemde deskundige een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.
Appellant heeft op 7 maart 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 16 februari 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met in gang van
13 februari 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. De rechtbank heeft tevens beslissingen genomen over vergoeding van griffierecht en proceskostenveroordeling.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van het verslag van de door de Raad geraadpleegde deskundige geconcludeerd dat betrokkene in het kader van de Wet WIA 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat hij geen of een geringe kans op herstel heeft. Op
7 maart 2014 heeft appellant een nieuwe beslissing op bezwaar genomen die in de plaats komt van het bestreden besluit. Appellant heeft het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van
16 februari 2009 gegrond verklaard en betrokkene alsnog met ingang van 13 februari 2009 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Tevens heeft appellant besloten tot vergoeding van de kosten in bezwaar.
3.2.
Betrokkene heeft bij brief van 26 maart 2014 verzocht om veroordeling van appellant in de proceskosten en tot vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit wettelijke rente. Voorts heeft betrokkene verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Nu de nieuwe beslissing op bezwaar van 7 maart 2014 in de plaats komt van het bestreden besluit, staat vast dat het bestreden besluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Verder moet worden vastgesteld dat appellant geheel aan betrokkene tegemoet is gekomen.
4.2.1.
Aangezien appellant reeds heeft besloten tot vergoeding van de kosten in bezwaar en de rechtbank al een veroordeling in de proceskosten heeft uitgesproken, staan de Raad nog slechts ter beoordeling de in hoger beroep gemaakte kosten.
4.2.2.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het naar voren brengen van een schriftelijke zienswijze op het op verzoek van de Raad uitgebrachte deskundigenrapport).
4.3.
De Raad wijst het verzoek van betrokkene toe om appellant te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop appellant de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
4.4.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
4.4.2.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur van het geval te rechtvaardigen. Daarvan is in het voorliggende geval niet gebleken.
4.4.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van
16 februari 2009 op 26 maart 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim twee maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door appellant ruim zes maanden geduurd. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift van betrokkene door de rechtbank op 2 september 2009 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank tot de uitspraak op 15 september 2011 ruim twee jaar geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellant door de Raad op 17 oktober 2011 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en ruim zeven maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.
4.4.4.
De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beslist op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van Pro de Awb merkt de Raad daarbij tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.217,50;
  • veroordeelt appellant tot vergoeding aan betrokkene van de wettelijke rente zoals in overweging 4.3 van deze uitspraak is vermeld;
  • bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;
  • bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) G.J. van Gendt

QH