Appellant werkte als oproepkracht tot maart 2011 en werd daarna meerdere keren in voorlopige hechtenis genomen. Na zijn vrijlating op 19 september 2011 vroeg hij op 14 februari 2012 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat de aanvraag te laat was en stelde dat er sprake was van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het recht op WW-uitkering ontstond op 29 maart 2011 en dat sprake was van verwijtbare werkloosheid vanwege detentie gerelateerd aan bezit van kinderporno, waardoor de uitkering werd geweigerd.
In hoger beroep betwist appellant dit oordeel en stelt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden en onvoldoende bewijs had voor verwijtbare werkloosheid. De Centrale Raad oordeelt dat de rechtbank binnen haar bevoegdheid bleef maar dat het oordeel onjuist was omdat detentie op zichzelf geen dringende reden voor ontslag is en het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever op de hoogte was van de reden van detentie. Tevens is vastgesteld dat het recht op WW-uitkering ontstond op 29 maart 2011, maar de uitkering niet kan worden betaald over de periode voor 26 weken voorafgaand aan de aanvraag.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover aangevochten en bepaalt dat het UWV appellant over de periode van 19 september 2011 tot en met 9 december 2011 alsnog WW-uitkering moet betalen. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten van appellant.