Uitspraak
25 oktober 2012, 12/3082 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens nek-, arm- en rugklachten, welke in 2004 werd ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2011 meldde zij zich met vermeende toegenomen rugklachten, waarop het UWV oordeelde dat geen sprake was van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na intrekking van de uitkering, zoals vereist in artikel 43a van de WAO.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de conclusies betrouwbaar waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar rugklachten sinds 2004 waren verergerd en dat dit onvoldoende was meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de FML van oktober 2004, die rekening hield met rug- en schoudersparend werk, als uitgangspunt geldt. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in 2012 dat er geen objectieve medische gegevens waren die een toename van beperkingen aantoonden. Ook de verklaring van de Rugpoli-Veluwe uit 2010 ligt buiten de vijfjaarsperiode en kan het oordeel niet wijzigen.
Daarom bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te heropenen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.