ECLI:NL:CRVB:2014:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding vorderingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Appellante had op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) 2004 bedrijfskapitaal ontvangen in de vorm van een lening en een beëindigingsuitkering. Na onderzoek concludeerde het college dat appellante haar bedrijf niet had beëindigd en maakte het de lening weer rentedragend, waarna de beëindigingsuitkering werd teruggevorderd.
Appellante verzocht later om kwijtschelding van de openstaande schulden, maar het college wees dit af op grond van het beleid dat geen kwijtschelding verleent voor vorderingen uit het Bbz 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de beleidsregel niet in strijd is met enige wet en dat de medische en sociale omstandigheden van appellante geen dringende reden vormen om van terugvordering af te zien. De Raad benadrukte dat dringende redenen incidenteel en uitzonderlijk moeten zijn en dat appellante aflost en een inkomen heeft gelijk aan de beslagvrije voet. Daarom is het verzoek om kwijtschelding terecht afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de schulden op grond van het Bbz 2004 wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.