ECLI:NL:CRVB:2014:1816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 augustus 2010, maar het college kende bijstand toe vanaf 19 januari 2011, de datum van melding bij het UWV Werkbedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat bijzondere omstandigheden, zoals meerdere bezoeken aan gemeentelijke instanties zonder resultaat en een depressie met medicijngebruik, rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.
De Raad oordeelde dat de wettelijke regeling bepaalt dat bijstand in beginsel niet wordt toegekend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De Raad vond echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door depressie en medicatie niet in staat was adequaat te reageren of dat hij onjuiste informatie had ontvangen die hem van een tijdige aanvraag weerhield.
Ook het psychodiagnostisch rapport ondersteunde deze stelling niet, mede omdat het niet betrekking had op de relevante periode. Schulden als gevolg van het ontbreken van middelen van bestaan kwalificeren evenmin als bijzondere omstandigheden. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.