ECLI:NL:CRVB:2014:1697

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
16 mei 2014
Zaaknummer
12-4183 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:47 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget door Zorgkantoor aan erven

Betrokkene ontving zorg via de AWBZ en kreeg een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Het Zorgkantoor stelde het pgb voor 2010 vast op €37.040,79, lager dan het beschikbare budget van €43.925,25, waardoor een bedrag van €6.884,46 werd teruggevorderd. Daarnaast bracht het Zorgkantoor een factuur van €15.324,23 in rekening bij de erven.

De erven maakten bezwaar tegen deze factuur, stellende dat een bedrag van €1.056,10, dat was verrekend met een voorschotbetaling voor april 2010, niet in mindering was gebracht. Het Zorgkantoor handhaafde de factuur en vorderde het bedrag terug.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Raad bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het bedrag van €1.056,10 als schuld aanmerkte, omdat dit bedrag onderdeel was van de voorschotten die het Zorgkantoor aan betrokkene had betaald, inclusief een schuld uit 2009 die met een voorschot in 2010 was verrekend.

De Raad wees een verzoek tot benoeming van een deskundige af en concludeerde dat de financiële gegevens voldoende inzicht boden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de erven een bedrag van €1.056,10 aan het Zorgkantoor verschuldigd zijn.

Uitspraak

12/4183 AWBZ
Datum uitspraak: 16 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
10 juli 2012, 12/115 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende
te Schiedam (appellanten) )
Zorgkantoor Delfland Westland Oostland Nieuwe Waterweg Noord (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens de appellanten heeft [G.] hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
De erven hebben een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Namens de erven is
[G.] verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. Ramasray en C. ten Hove.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene, overleden op 26 augustus 2010, ontving zorg ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In verband hiermee heeft het Zorgkantoor aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het budgetjaar 2010 vastgesteld op
€ 37.040,79. Omdat het beschikbare budget voor 2010 € 43.925,25 was, is een bedrag van
€ 6.884,46 van betrokkene teruggevorderd. Bij factuur van 16 november 2010 heeft het Zorgkantoor een bedrag van € 15.324,23 bij de erven in rekening gebracht.
1.2.
De appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de factuur van 16 november 2010. Zij hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat in de factuur geen rekening is gehouden met het bedrag van € 1.056,10 dat het Zorgkantoor op de voorschotbetaling van 31 maart 2010 voor de maand april 2010 heeft ingehouden. Dit bedrag betrof een schuld van betrokkene aan het Zorgkantoor na de vaststelling van het pgb voor het budgetjaar 2009. Nu deze schuld is verrekend met genoemd voorschot, dient het bedrag van de factuur met € 1.056,10 te worden verlaagd.
1.3.
Bij besluit van 6 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 15.324,23 juist is berekend. Omdat appellanten al € 14.268,13 hebben terugbetaald, vordert het Zorgkantoor een bedrag van € 1.056,10 als onverschuldigde betaling terug van appellanten.
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Zorgkantoor een juiste berekening heeft gemaakt. De erven hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene na de vaststelling van het pgb voor het budgetjaar 2009 aan het Zorgkantoor een bedrag van € 1.056,10 was verschuldigd. Kern van het geschil is of de verrekening van deze schuld door het Zorgkantoor met het voorschot aan pgb voor de maand april 2010, met zich meebrengt dat het met de factuur van
16 november 2010 in rekening gebrachte bedrag van € 15.324,23 met € 1.056,10 dient te worden verminderd. Het verzoek van de appellanten om een deskundige te benoemen teneinde onderzoek te doen naar de boekhouding van het Zorgkantoor komt niet voor toewijzing in aanmerking. De benoeming door de Raad van een deskundige is gelet op artikel 8:47 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een discretionaire bevoegdheid. De Raad acht zich gelet op de in de gedingstukken vermelde financiële gegevens voldoende voorgelicht om zonder onderzoek door een deskundige tot een oordeel te komen.
3.2.
Uit de door het Zorgkantoor op 21 november 2011 opgestelde berekening blijkt het volgende. Het beschikbare pgb over de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 augustus 2010 bedroeg € 43.925,25. Het Zorgkantoor heeft het recht op pgb voor het jaar 2010 bij besluit van 29 oktober 2010 vastgesteld op € 37.040,79, dat wil zeggen € 6.884,46 lager het beschikbare pgb. Dit bedrag wordt teruggevorderd.
3.3.
Echter, het Zorgkantoor heeft in 2010 aan voorschotten meer betaald dan het beschikbare pgb van € 43.925,25. Naast het terugvorderingsbedrag van € 6.884,46 dienen daarom ook de voorschotten te worden terugbetaald voor zover deze boven het beschikbare pgb van
€ 43.925,25 zijn uitgekomen. In elf voorschotbetalingen heeft het Zorgkantoor aan betrokkene in totaal € 51.308,92 overgemaakt, dat wil zeggen € 7.383,67 meer dan het beschikbare pgb. Als dit bedrag wordt opgeteld bij het vastgestelde terugvorderingsbedrag van € 6.884,46, resulteert dit in een bedrag van € 14.268,13.
3.4.
Vervolgens dient bij het bedrag van € 14.268,13 het met de voorschotbetaling voor april 2010 verrekende bedrag van € 1.056,10 te worden opgeteld. Immers, de uit 2009 openstaande schuld van betrokkene aan het Zorgkantoor ter hoogte van dit bedrag heeft het Zorgkantoor als voorschot aan haar beschikbaar gesteld door verrekening ervan met de voorschotbetaling voor april 2010. Het totale bedrag aan voorschotten in 2010, inclusief het bedrag van
€ 1.056,10, komt daarmee op € 52.365,02.
3.5.
Het Zorgkantoor heeft voor het budgetjaar 2010 dan ook € 8.439,77 meer aan voorschotten betaald dan het beschikbare budget. Als dit bedrag wordt opgeteld bij het terugvorderingsbedrag van € 6.884,46, komt het in rekening te brengen bedrag met betrekking tot het budgetjaar 2010 op € 15.324,23.
3.6.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de erven nog een bedrag van € 1.056,10 zijn verschuldigd aan het Zorgkantoor. Het hoger beroep slaagt daarom niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2014.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) E. Heemsbergen
JvC