ECLI:NL:CRVB:2014:1660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en terugvordering voorschot ondanks betwisting appellant
Appellant ontving sinds 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na een dienstverband en ziekteverzuim heeft het UWV in 2011 een voorschot op de WAO uitgekeerd, later herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met terugvordering van voorschotten over een bepaalde periode.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische beperkingen, waaronder een daling van de longfunctie en psychische klachten. Tevens voerde hij aan dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen zou hebben.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapportages voldoende waren gemotiveerd en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer beperkingen waren. Ook was er geen dringende reden voor kwijtschelding van de terugvordering.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe informatie in. De Centrale Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de uitspraak, waarbij het UWV rekening dient te houden met de beslagvrije voet bij terugvordering.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en deed uitspraak in het openbaar op 14 mei 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van appellant af.