ECLI:NL:CRVB:2014:1645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding in eerdere periode
Appellante ontving bijstand sinds 1998 en volledige bijstand sinds 2010. Na een onderzoek naar haar situatie, waarbij sociale recherche diverse onderzoeken verrichtte, stelde het college vast dat zij vanaf 15 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met N zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand vanaf die datum ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep betwistte zij dat sprake was van wederzijdse zorg en dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden. De Raad oordeelde dat het gezamenlijk hoofdverblijf niet meer ter discussie stond, maar dat voor de periode 15 maart 1999 tot 14 mei 2001 onvoldoende bewijs bestond voor wederzijdse zorg.
Voor de periode van 15 mei 2001 tot 1 augustus 2011 was er wel sprake van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg, wat de intrekking rechtvaardigt. De Raad vernietigde daarom het besluit voor de eerste periode en herroept de intrekking van de bijstand over die tijd, terwijl de intrekking voor de latere periode gehandhaafd blijft. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellante.
Uitkomst: Intrekking bijstand over 15 maart 1999 tot 14 mei 2001 herroepen wegens onvoldoende bewijs, intrekking vanaf 15 mei 2001 bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht.