ECLI:NL:CRVB:2014:1632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Bbz-krediet wegens gebrek aan levensvatbaarheid bedrijf
Appellant opende in februari 2010 een keukencentrum en vroeg in mei 2010 een uitkering aan op grond van het Bbz 2004. Deze aanvraag werd door het college afgewezen wegens gebrek aan levensvatbaarheid van het bedrijf, waarna het bedrijf failliet ging. Appellant startte een nieuw bedrijf en vroeg opnieuw een Bbz-krediet aan, dat eveneens werd afgewezen op grond van een negatief advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van het deskundige en zorgvuldige advies van het IMK, dat een uitgebreide commerciële en financiële analyse had gemaakt en onder meer wees op een negatieve vermogenspositie, eerdere faillissementen en onzekerheden over financiering.
Hoewel appellant een aanvullend advies van een financieel manager van een grote keukeninkooporganisatie inbracht, vond de Raad dit advies onvoldoende onderbouwd en niet onafhankelijk. Het advies van het IMK bleef daarom leidend. De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het bedrijf levensvatbaar was en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag voor een Bbz-krediet is afgewezen wegens het ontbreken van een levensvatbaar bedrijf.