ECLI:NL:CRVB:2014:1494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
2 mei 2014
Zaaknummer
12-3441 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwArt. 8 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenVerordening (EEG) nr. 1408/71Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorgRegeling zorgverzekering
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste berekening buitenlandbijdrage op basis van volledig toetsingsinkomen

Appellant, woonachtig in Ierland en gerechtigd tot zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) als verdragsgerechtigde, werd geconfronteerd met een buitenlandbijdrage die door het Zorginstituut werd vastgesteld op basis van zijn volledige toetsingsinkomen uit 2008.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze berekening ongegrond, omdat het Zorginstituut conform de wettelijke bepalingen uitging van het volledige inkomen, ongeacht de interne verdeling van pensioen met zijn echtgenote. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het Ierse staatsburgerschap van zijn echtgenote en haar vrijstelling van betalingen, alsmede met het feit dat zij na zijn overlijden een groot deel van het pensioen ontvangt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de berekening van de buitenlandbijdrage strikt volgens de Zvw en de Regeling zorgverzekering moet plaatsvinden, waarbij geen ruimte bestaat voor uitzonderingen op basis van de persoonlijke omstandigheden van appellant en zijn echtgenote. Tevens werd vastgesteld dat het recht op zorg in Ierland en het aanvullende verzekeringspakket geen invloed hebben op de bijdrageplicht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De buitenlandbijdrage is terecht berekend op basis van het volledige toetsingsinkomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

12/3441 ZVW
Datum uitspraak: 23 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 mei 2012, 11/5532 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [plaatsnaam] (Ierland) (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Appellant is met bericht niet verschenen. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Ierland en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioen van Stichting Pensioenfonds DSM-Nederland.
1.2.
Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 inwerking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland (Ierland), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij met ingang van 1 januari 2006 als verdragsgerechtigde in Ierland is ingeschreven.
1.3.
Bij besluiten van 15 juli 2011 en 25 september 2011 heeft Zorginstituut de voorlopige en de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2008 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdragen zijn vastgesteld op € 6.067,19 respectievelijk € 5.533,93.
1.4.
Zorginstituut heeft het bezwaar van appellant tegen de voorlopige jaarafrekening met instemming van appellant opgevat als een bezwaar tegen de definitieve jaarafrekening. Dit bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 12 oktober 2011 (bestreden besluit).
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is Zorginstituut terecht uitgegaan van het volledige inkomen van appellant. Op grond van artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, dient Zorginstituut uit te gaan van het volledige toetsingsinkomen van appellant. Dat de helft van het pensioen van appellant ten goede komt aan zijn echtgenote, doet hieraan niet af nu dit een interne verdeling van het inkomen tussen appellant en zijn echtgenote betreft en Zorginstituut hieraan niet gebonden is. Aangezien niet is gebleken dat de gegevens van de pensioenverstrekkende instanties of van de
NiNbi-beschikking niet juist zijn, heeft verweerder deze gegevens terecht mogen betrekken bij de berekening van de buitenlandbijdrage voor appellant. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding aan te nemen dat de woonlandfactor onjuist zou zijn vastgesteld.
3.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zijn echtgenote Iers staatsburger is en is vrijgesteld van betalingen aan Zorginstituut en dat zij na zijn overlijden 70% van zijn DSM-pensioen blijft ontvangen. Zorginstituut zou om die reden slechts 50% van dit pensioen in aanmerking mogen nemen bij het vaststellen van het toetsingsinkomen voor de buitenlandbijdrage. Voorts is de vastgestelde buitenlandbijdrage onaanvaardbaar omdat de verstrekte voorzieningen dermate beperkt zijn dat een aanvullende privéverzekering noodzakelijk is.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat Zorginstituut zich voor de berekening van de buitenlandbijdrage terecht heeft gebaseerd op het volledige toetsingsinkomen zoals vastgesteld in de NiNbi-beschikking van 2008.
4.2.
Hiertoe overweegt de Raad dat in de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering dwingend is voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden. Voor een uitzondering op deze regelgeving, zoals bepleit door appellant in verband met het Ierse ingezetenschap van zijn echtgenote en de tussen haar en appellant bestaande verdeling van het inkomen van appellant, bestaat gelet hierop geen ruimte. De Raad stelt vast dat Zorginstituut de buitenlandbijdrage juist heeft berekend.
4.3.
Ten aanzien van het voorzieningenniveau in Ierland stelt de Raad vast dat appellant in Ierland recht heeft op zorg overeenkomstig het woonlandpakket. Met de woonlandfactor wordt vervolgens tot uitdrukking gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket krachtens verzekering ingevolge de Zvw en de AWBZ opgenomen zorg. Dat appellant zich genoodzaakt ziet in aanvulling op het voor hem geldende woonlandpakket een aanvullende verzekering af te sluiten in Ierland doet aan zijn bijdrageplicht als verdragsgerechtigde niet af.
5.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) I.J. Penning

QH