Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds december 2009 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). In 2010 kreeg hij een Wajong-uitkering toegekend, maar meldde dit pas eind juli 2010 aan het college, waardoor hij de inlichtingenverplichting schond. Het college trok de inkomensvoorziening over juni en juli 2010 in en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat hij niet verplicht was de toekenning van de Wajong-uitkering uit eigen beweging te melden en dat het college zelf informatie had moeten inwinnen. Ook stelde hij dat de terugvordering onterecht was en te lang had doorgelopen. De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting onverkort van toepassing was en dat het college bevoegd was de voorziening in te trekken en terug te vorderen.
De zesmaanden-jurisprudentie was niet van toepassing omdat de schending van de inlichtingenverplichting was vastgesteld. De brutering van de terugvordering werd gerechtvaardigd door het niet tijdig melden en het uitblijven van adequate informatieverstrekking door appellant.
Verder oordeelde de Raad dat het feit dat appellant werkzaamheden verrichtte in het kader van arbeidsinschakeling niet verhinderde dat het college de terugvordering toepaste, aangezien de Wajong-uitkering gelijk was aan of hoger dan de inkomensvoorziening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de WIJ-inkomensvoorziening bevestigd.