ECLI:NL:CRVB:2014:1395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitkeringsuitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van 10 november 2010 betreffende zijn WAO-uitkering. Het verzoek betrof vijf besluiten waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de uitkering waren vastgesteld en later verlaagd.
Verzoeker stelde dat nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht waren gekomen, waaronder e-mailcorrespondentie tussen zijn psychiater en een bezwaarverzekeringsarts, die hij tijdens een tuchtrechtelijke procedure had verkregen en die mogelijk tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De Raad onderzocht of deze stukken als nieuwe feiten konden worden aangemerkt in de zin van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad oordeelde dat de e-mailcorrespondentie geen nieuwe feiten bevatte, maar slechts een verduidelijking was van reeds bekende informatie. Ook was er geen sprake van frustratie van het contact tussen verzoeker en zijn behandelaar of van het achterhouden van relevante informatie. Evenmin kon de brief van een verzekeringsarts uit 2011 worden beschouwd als een nieuw feit.
De Raad benadrukte dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten werd het verzoek om herziening afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitkeringsuitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.