ECLI:NL:CRVB:2014:1383

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2014
Publicatiedatum
24 april 2014
Zaaknummer
12-4728 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek objectief feitenonderzoek naar onterechte beschuldiging ambtenaar

Appellant, voormalig groepsleerkracht bij een stichting, verzocht om een objectief feitenonderzoek naar een in 2005 geuite beschuldiging die achteraf onjuist bleek. De stichting wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant niet in zijn rechtspositie zou zijn geraakt door de afwijzing.

In hoger beroep stelde appellant dat de weigering een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, omdat hem onprofessioneel en grensoverschrijdend gedrag werd verweten zonder feitelijk onderzoek. De Raad oordeelde echter dat de weigering niet op rechtsgevolg was gericht en appellant niet rechtstreeks in zijn belangen als ambtenaar raakte.

De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin de beschuldiging onjuist was bevonden en appellant was gerehabiliteerd. Bovendien verklaarde de stichting dat het rapport met de beschuldigingen onjuist was en van tafel was. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de weigering tot feitenonderzoek geen besluit is dat appellant rechtstreeks in zijn rechtspositie raakt en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

12/4728 AW
Datum uitspraak: 24 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juli 2012, 11/1385 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Stichting [naam stichting] (Stichting)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de Stichting heeft mr. H. Eillert, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2014. Appellant is verschenen. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. van der Vaart, advocaat, en
D.W. Bruil.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als groepsleerkracht op een openbare basisschool van [naam stichting]. In 2005 heeft een ouder van een leerling over appellant een beschuldiging geuit. Achteraf is die beschuldiging onjuist bevonden. De Raad heeft bij uitspraak van 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BG8844), onder meer aan [naam stichting] opgedragen om appellant te rehabiliteren door een bericht aan de ouders en leerkrachten te sturen waarin onder andere is vermeld dat door [naam stichting] niet adequaat is gereageerd op de over appellant geuite - maar niet juist bevonden - beschuldiging en [naam stichting] in strijd met de jegens een personeelslid vereiste zorgvuldigheid geen adequate informatie heeft verschaft toen daarover geruchten de ronde gingen doen, met als gevolg dat de reputatie van appellant ten onrechte is beschadigd. Met ingang van 23 april 2009 is het dienstverband van appellant met [naam stichting] beëindigd.
1.2. Bij brief van 9 maart 2011 heeft appellant aan [naam stichting] verzocht om een objectief feitenonderzoek in te stellen naar aanleiding van de in 2005 geuite beschuldiging, alsmede naar hetgeen in verband daarmee is vermeld in het rapport “Februari 2005 [appellant] (verslag ‘beschuldiging sexueel getinte uitspraken’)” van de schooldirecteur (rapport). Dat verzoek is afgewezen bij brief van 17 maart 2011.
1.3. Bij besluit van 28 november 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen die afwijzing ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene niet in zijn rechtspositie is geraakt door de afwijzing van het verzoek om een objectief feitenonderzoek in te stellen. De rechtbank heeft daar de conclusie aan verbonden dat geen bezwaar kon worden ingediend tegen de afwijzing.
3.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de schriftelijke weigering een feitenonderzoek in te stellen is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:2
(lees: 1:3), eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft erop gewezen dat hem door zijn direct leidinggevende, alsook door [naam stichting], op basis van de onterechte beschuldiging, onprofessioneel en grensoverschrijdend gedrag is verweten en dat die verweten gedragingen zijn gedocumenteerd, terwijl nooit is nagegaan of die beschuldigingen een feitelijke grondslag hebben. Door het uitblijven van een objectief feitenonderzoek naar die verweten en gedocumenteerde gedragingen meent appellant wel degelijk in zijn rechtspositie te worden geraakt.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
De beslissing van [naam stichting] om geen feitenonderzoek in te stellen is niet op rechtsgevolg gericht. De weigering om een zodanig onderzoek in te stellen raakt appellant niet rechtstreeks in zijn belangen in de hoedanigheid van ambtenaar. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 of Pro een daaraan gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:1 van Pro de Awb is geen sprake. Verwezen wordt naar de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1522.
4.2.
Het door appellant beoogde feitenonderzoek door [naam stichting] naar de beschuldiging en hetgeen daarover is vermeld in schriftelijke stukken, is geen als een rechtspositioneel aan te merken belang waarbij appellant rechtstreeks in de hoedanigheid van ambtenaar wordt getroffen. Bedacht dient te worden dat in de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad van
8 januari 2009 is vastgesteld dat de beschuldiging onjuist was en dat appellant vervolgens is gerehabiliteerd. Zelfs indien er enig rechtspositioneel belang zou zijn, is dat ter zitting vervallen omdat door [naam stichting] is verklaard dat ook de inhoud van het rapport, gelet op de zojuist genoemde uitspraak, onjuist is te achten, waarbij nadrukkelijk is bevestigd dat het rapport thans dan ook van tafel is.
4.3.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J.T.P. Pot

HD