ECLI:NL:CRVB:2014:1370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag algemene en bijzondere bijstand op grond van WWB voor EU-burger zonder verblijfsrecht
Appellante, een Bulgaarse EU-burger zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verzocht het college om algemene en bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De aanvragen werden afgewezen omdat zij geen verblijfsrecht had dat recht gaf op bijstand volgens de WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit ongegrond en het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel recht had op bijstand vanwege haar kwetsbare positie en de noodzaak van medische zorg.
De Raad oordeelde dat appellante terecht was geregistreerd als EU-burger die korter dan drie maanden in Nederland verblijft of als werkzoekende zonder verblijfsrecht, waardoor zij niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander volgens artikel 11, tweede lid, WWB. Hierdoor valt zij onder artikel 16, tweede lid, WWB, dat bijstand zelfs om zeer dringende redenen uitsluit.
De Raad liet de vraag of appellante als kwetsbaar persoon bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden, omdat de WWB daarvoor geen ruimte biedt. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder toekenning van schadevergoeding of proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om algemene en bijzondere bijstand van appellante wordt afgewezen omdat zij niet als Nederlander kan worden gelijkgesteld en daardoor geen recht op bijstand heeft volgens de WWB.