ECLI:NL:CRVB:2014:1316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op basis van de WWB en werden teruggevorderd wegens het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Uit onderzoek bleek dat zij vanaf 29 augustus 2007 tot 12 februari 2009 samenwoonden in de woning van appellant en wederzijdse zorg verleenden. Na de geboorte van hun tweeling op 12 februari 2009 was sprake van gezamenlijke huishouding op grond van het feit dat zij een kind hadden.
De Raad stelde vast dat appellanten de inlichtingenplicht schonden door het niet melden van hun gezamenlijke huishouding. De psychische problematiek van appellanten, hoewel ernstig en verergerd, werd niet als dringende reden erkend om van terugvordering af te zien of deze te matigen, omdat de verergering eerder het gevolg was van de nieuwe woonsituatie dan van de terugvordering zelf.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Assen en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om appellanten te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.