Appellante werd door het UWV geschikt verklaard om haar werk te doen, met de mogelijkheid om binnen twee weken bezwaar te maken tegen dit besluit. Zij diende echter haar bezwaarschrift te laat in, waarop het UWV dit niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar was.
In hoger beroep stelde appellante dat zij door ernstige psychische en medische klachten niet in staat was tijdig bezwaar te maken. Het UWV betoogde dat zij gedurende de bezwaarperiode wel in staat was bezwaar te maken en voldoende hulp had om dit te doen. De Raad concludeerde dat appellante tot 28 januari 2012 bezwaar had kunnen maken, maar dat de plotselinge verslechtering van haar medische toestand in de laatste dagen van de termijn een verschoonbare reden vormde voor de overschrijding.
De Raad oordeelde dat het UWV de rechtspraak omtrent verschoonbare termijnoverschrijding had miskend en vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Het UWV werd opgedragen het bezwaar alsnog inhoudelijk te beoordelen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.