ECLI:NL:CRVB:2014:1167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering IVA-uitkering en vaststelling dagloon WIA
Appellant, een tuinbouwmedewerker, viel op 17 maart 2009 uit wegens spier-, pees-, gewrichts- en vermoeidheidsklachten. Het UWV kende hem op 4 februari 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80% en stelde het dagloon vast op €118,77. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat het UWV op 27 juli 2011 ongegrond verklaarde (bestreden besluit 1).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, en het beroep tegen het latere besluit 2, waarin het dagloon werd verhoogd tot €173,67, ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk had verklaard, omdat appellant nog belang had bij vergoeding van wettelijke rente. Het beroep tegen besluit 1 werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Het beroep tegen besluit 2 werd bevestigd omdat appellant geen nieuwe gronden of medische stukken aanvoerde. Het verzoek om wettelijke rentevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2011 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het latere besluit wordt bevestigd, en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.