ECLI:NL:CRVB:2014:1138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en niet-ontvankelijkverklaring bezwaar bij WWB-arbeidsverplichtingen
Appellant ontvangt sinds 1 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft hem bij besluit van 3 februari 2011 ontheven van bepaalde arbeidsverplichtingen voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. Na bezwaar heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees een schadevergoeding af.
In hoger beroep stelt appellant dat het college onrechtmatig heeft gehandeld en dat er wel degelijk sprake is van procesbelang, onder meer omdat het college onvoldoende heeft bijgedragen aan zijn activering en het insolventierisico niet heeft geëlimineerd. De Raad overweegt dat procesbelang alleen aanwezig is als het met het bezwaar nastrevenswaardige resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is voor appellant.
De Raad concludeert dat de ontheffing van arbeidsverplichtingen betekent dat appellant niet verplicht was werk te zoeken, maar het stond hem vrij dit vrijwillig te doen. De overige verplichtingen uit artikel 9 WWB Pro bleven van kracht en voorzieningen gericht op werk konden nog steeds worden benut. Omdat appellant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, heeft het bezwaar geen feitelijke betekenis. Het hoger beroep wordt verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Daarnaast wordt het verzoek om een externe adviseur op kosten van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt eveneens afgewezen omdat de termijn van vier jaar niet is overschreden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.