ECLI:NL:CRVB:2014:1088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet melden werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 1 september 2009 een WW-uitkering en begon op 4 april 2011 met een dienstverband bij een werkgever, gevolgd door zelfstandige werkzaamheden na 3 oktober 2011. Hij meldde deze werkzaamheden niet aan het Uwv, ondanks de verplichting daartoe volgens artikel 25 van Pro de WW en de verstrekte brochure.
Het Uwv herzag de uitkering per 1 april 2011 en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, tevens werd een boete opgelegd. Appellant maakte bezwaar, waarna het Uwv de terugvordering en boete verlaagde, maar het bezwaar werd uiteindelijk ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat het niet verlengen van zijn inschrijving als werkzoekende voldoende was en dat zijn WW-rechten na 3 oktober 2011 niet waren meegenomen. De Raad oordeelde echter dat het niet verlengen van de inschrijving niet gelijkstaat aan het verstrekken van de vereiste inlichtingen en dat appellant de meldingsplicht had geschonden.
De Raad bevestigde dat het Uwv terecht de uitkering had herzien en teruggevorderd en dat de boete passend was gezien de ernst van de overtreding. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, terugvordering en boete wegens het niet melden van werkzaamheden.