Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1062

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2014
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
13-3696 WWB-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:109 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat sprake was van betalingsonmacht en dat het griffierecht de toegang tot de rechter onaanvaardbaar beperkte, verwijzend naar het beginsel van evenredigheid en artikel 6 EVRM Pro.

De Raad oordeelde dat appellant het griffierecht niet had voldaan binnen de termijn en ook geen tijdig beroep op betalingsonmacht had gedaan of om uitstel had verzocht. Een beroep op betalingsonmacht in verzet is te laat en geeft geen grond voor het oordeel dat appellant niet in verzuim was. Tevens is er geen verplichting voor de bestuursrechter om ambtshalve een aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht te faciliteren.

Het betoog dat het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert en strijd oplevert met artikel 6 EVRM Pro slaagt niet, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in onmacht verkeerde en zich niet tijdig op betalingsonmacht heeft beroepen. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens het niet tijdig doen van een beroep op betalingsonmacht en geen strijd met artikel 6 EVRM.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 april 2014
13/3696 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2013, 13/344 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[adres] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 november 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 februari 2014. Partijen zijn, waarvan appellant met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 12 november 2013 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van
2 september 2013 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald.
In het verzetschrift heeft appellant, onder verwijzing naar de conclusie van 26 juli 2013 van Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad mr. R.H.L. IJzerman in de zaak met nummer 12/04639, ECLI:NL:PHR:2013:643, aangevoerd dat sprake was van betalingsonmacht. De beperkingen die door het heffen van griffierecht worden opgeworpen dienen geen rechtmatig doel en zijn in strijd met het beginsel van evenredigheid. Het fundamentele beginsel van het onbeperkte recht van toegang tot de rechter wordt op onaanvaardbare wijze beperkt. De Raad had het griffierecht moeten verlagen dan wel appellant kunnen vrijstellen van het griffierecht.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Appellant heeft pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moet worden voldaan, een beroep op betalingsonmacht gedaan. Evenmin heeft hij binnen die termijn de Raad om uitstel van betaling verzocht. Indien een indiener van een (hoger)beroepschrift binnen de gestelde termijn een beroep op betalingsonmacht doet, stelt de Raad hem in de gelegenheid een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in te dienen. Van een tijdig beroep op betalingsonmacht is in dit geval echter geen sprake geweest. Er is geen rechtsregel die de bestuursrechter verplicht een betrokkene ambtshalve in de gelegenheid te stellen een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in te dienen.
Voor zover appellant heeft willen betogen dat de hoogte van het griffierecht in zijn geval de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slaagt dit betoog niet. Niet alleen heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen, maar ook heeft hij zich niet binnen de betalingstermijn op betalingsonmacht beroepen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, Awb geheven griffierecht van
€ 118,- appellant wezenlijk heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.
Het verzet moet ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) O.P.L. Hovens
JvC