Appellante ontving sinds 2003 een loonkostensubsidie voor ID-werknemers. Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland besloot de subsidie per 1 januari 2013 te beëindigen vanwege bezuinigingen op het participatiebudget.
Appellante voerde aan dat de beëindiging niet eerder kon plaatsvinden dan de eerst mogelijke ontslagdatum van de werknemers (1 augustus 2014) vanwege de CAO Primair Onderwijs en het werkgelegenheidsbeleid. Het college stelde dat appellante reeds vanaf januari 2011 op de hoogte was van de mogelijke beëindiging en tijdig maatregelen had kunnen nemen.
De Raad oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat veranderde omstandigheden de beëindiging rechtvaardigen en dat het college een ruime beleidsvrijheid heeft. De redelijke termijn moet echter zo zijn dat appellante maatregelen kan treffen, waaronder het in acht nemen van opzegtermijnen volgens de CAO.
De Raad stelt vast dat appellante niet reeds in januari 2011 had moeten begrijpen dat de subsidie op korte termijn zou eindigen en dat zij voldoende tijd had om maatregelen te treffen. Daarom is het college bereid de subsidie toe te kennen tot 1 augustus 2013, waarmee een redelijke termijn is gewaarborgd.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit tot beëindiging en bepaalt dat appellante subsidie ontvangt tot 1 augustus 2013. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten.