ECLI:NL:CRVB:2013:CA2730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Geen verdergaande terugwerkende kracht bij Wajong-uitkering wegens gebrek bijzonder geval
Appellant vroeg op 23 november 2009 een Wajong-uitkering aan, welke met ingang van 20 november 2008 werd toegekend, één jaar voor de aanvraagdatum. Appellant stelde dat vanwege psychiatrische beperkingen de uitkering met verdergaande terugwerkende kracht moest ingaan. Het UWV stelde dat geen bijzonder geval aanwezig was.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat onbekendheid met de regeling geen bijzonder geval vormt. Ook achtte zij het niet aannemelijk dat appellant door zijn beperkingen niet eerder een aanvraag kon indienen, mede omdat hij zich in het verleden beroepsmatig liet bijstaan en in 1999 een bijstandsuitkering aanvroeg.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychiatrische aandoeningen en gebrek aan ziekte-inzicht hem belemmerden. De Raad overwoog dat appellant wel enig ziektebesef had en dat er geen medische gegevens waren die aannemelijk maakten dat hij bij voortduring niet in staat was zijn belangen te behartigen. De Raad bevestigde dat onbekendheid met de Wajong geen bijzonder geval is en dat appellant redelijkerwijs in verzuim was.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Wajong-uitkering wordt toegekend met ingang van één jaar voor de aanvraagdatum, omdat geen bijzonder geval is vastgesteld.