ECLI:NL:CRVB:2013:CA2119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks gespreide nalatenschapsuitkering
Appellante ontving bijstand sinds 1997 en had aanspraak op een nalatenschap van haar overleden vader, uit te betalen in tien jaarlijkse termijnen van € 6.000. Het college stelde bij besluiten vast dat een deel van de bijstand moest worden teruggevorderd vanwege deze nadien verkregen middelen. Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering van een totaalbedrag van € 39.430,95, stellende dat slechts € 1.090 teruggevorderd mocht worden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het besluit van 22 december 2010 niet ziet op terugvordering van het volledige bedrag, maar slechts op € 6.000. Appellante erkent dat het college bevoegd is dit bedrag terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB.
Hoewel appellante wijst op haar bijzondere omstandigheden en het feit dat de nalatenschap in termijnen wordt uitgekeerd, is dit risico voor haar. Het college hoefde niet te handelen alsof de nalatenschap ineens werd uitbetaald. De Raad ziet geen reden om het college te verwijten dat het bedrag van € 6.000 is teruggevorderd. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 6.000 aan bijstand door het college.