ECLI:NL:CRVB:2013:CA1975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college trok deze bijstand met ingang van 10 januari 2011 in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner [A.]. Het college stelde dat appellante en [A.] samenwoonden op het uitkeringsadres, wat werd bevestigd door verklaringen en observaties van de sociale recherche.
Appellante voerde aan dat de gezamenlijke huishouding slechts tijdelijk en door overmacht was en dat het college zijn bevoegdheid had misbruikt. Tevens stelde zij dat de financiële situatie van [A.] zwak was en dat de belangen van haar kinderen onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf en de gezamenlijke huishouding vaststonden, ongeacht de motieven, en dat het college zijn bevoegdheid juist had toegepast.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die de intrekking van de bijstand en de terugvordering van gemaakte kosten rechtmatig achtte. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering wegens gezamenlijke huishouding.