ECLI:NL:CRVB:2013:CA1954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf een adres op als woonadres. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant niet op dat adres woonde en in Turkije een woning bezat, verrichtte het college een onderzoek. Dit onderzoek, inclusief getuigenverklaringen en dossieronderzoek, leidde tot de conclusie dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en dit niet had gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 september 2010 in en vorderde de bijstand over de periode van 1 augustus 2008 tot 31 augustus 2010 terug. Appellant deed bezwaar en startte een nieuwe aanvraag, die werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en vernietigde het besluit tot afwijzing van de nieuwe aanvraag, maar liet de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het appartement in Turkije eigendom was van de Turkse staat en dat hij wel op het uitkeringsadres woonde, ondanks het ontbreken van nutsvoorzieningen. De Raad oordeelde dat het bezit van het appartement niet relevant was voor de besluitvorming en dat het ontbreken van aansluitingen op gas, water en elektriciteit de redelijke veronderstelling rechtvaardigde dat appellant niet op het adres woonde. Appellant slaagde er niet in dit te weerleggen. Ook het beroep op een verklaring van een buurman en het gebruik van gasflessen konden dit niet veranderen.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand omdat appellant niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde.