ECLI:NL:CRVB:2013:CA0752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak en ongegrondverklaring beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering
Appellant was arbeidsongeschikt vanwege urologische en later psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering die het UWV per 21 maart 2011 beëindigde omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor passende functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij met name het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een psychiatrisch rapport van 31 december 2010 in overweging nam.
De Centrale Raad van Beroep constateert dat de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter zitting alsnog stukken van appellant heeft betrokken, wat in strijd is met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank. Bij inhoudelijke beoordeling oordeelt de Raad echter dat de gronden van appellant onvoldoende aanleiding geven om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad bevestigt dat de passende functies uit de WIA-beoordeling maatgevend zijn en dat de vraag is of appellant op medische gronden ongeschikt was voor deze functies. Het psychiatrisch rapport concludeert dat door inconsistenties en aggraverende presentatie geen definitieve diagnose kon worden gesteld. De bezwaarverzekeringsarts acht appellant geschikt voor de functies. Nieuwe medische stukken betreffen een nieuw ziektegeval en leiden niet tot ander oordeel.
De Raad onderschrijft verder dat het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst niet vereist is bij een Ziektewetbeoordeling. Gelet op het voorgaande vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank maar verklaart het beroep ongegrond. Het griffierecht wordt aan appellant vergoed.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, maar het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.