ECLI:NL:CRVB:2013:CA0543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag inkomensvoorziening wegens gezamenlijke huishouding
Appellante heeft na verhuizing een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Na onderzoek door consulenten van de gemeente Zaanstad, waarbij een huisbezoek plaatsvond, werd vastgesteld dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met M.W. [D.].
De aanvraag werd afgewezen omdat gezamenlijke huishouding in de zin van de WIJ en de Wet werk en bijstand (WWB) betekent dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg voor elkaar dragen door een bijdrage te leveren aan de huishoudkosten of anderszins. Appellante voerde aan dat [D.] nauwelijks aanwezig was en dat sprake was van een zakelijke huurrelatie, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een zakelijke huurrelatie maar van een gezamenlijke huishouding, gelet op de gedeelde woonruimte, gezamenlijke boodschappen, eten en het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Haarlem.
Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 mei 2013.
Uitkomst: De aanvraag WIJ wordt afgewezen omdat appellante een gezamenlijke huishouding voerde en daardoor niet in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening.