ECLI:NL:CRVB:2013:CA0290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-1617 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WW
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel wegens niet-naleving sollicitatieplicht WW-uitkering

Appellant, voormalig sportleraar, ontving een WW-uitkering en was verplicht gemiddeld ten minste één keer per week te solliciteren. Het UWV stelde vast dat appellant in de periode maart-april 2011 niet aan deze sollicitatieverplichting voldeed en legde een maatregel op waarbij de uitkering met 25% werd gekort.

Appellant voerde aan dat hij wel inspanningen had verricht, waaronder gesprekken met jobcoaches, loopbaanbegeleiders, zijn huisarts en onderhandelingen over een functie bij een voetbalclub. De Raad oordeelde echter dat alleen de gesprekken met de voetbalclub als sollicitatieactiviteit konden worden aangemerkt, en dat de overige activiteiten niet als sollicitaties gelden.

De Raad stelde vast dat appellant niet voldeed aan de sollicitatieverplichting en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die hem dit konden vergeven. Daarom werd het bezwaar tegen de maatregel ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 mei 2013.

Uitkomst: De maatregel tot korting van de WW-uitkering wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht wordt bevestigd.

Uitspraak

12/1617 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van
15 februari 2012, 11/1395 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 15 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren in 1954, is tot 1 januari 2011 als sportleraar werkzaam geweest in dienst van de [naam werkgever] (werkgever). Het Uwv heeft appellant bij besluit van 17 januari 2011 met ingang van 3 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In dit besluit is appellant erop gewezen dat gedurende de gehele periode waarin hij een WW-uitkering ontvangt, van hem wordt verwacht dat hij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert en dat het Uwv dit regelmatig controleert.
1.2. Het Uwv heeft appellant bij brief van 23 mei 2011 gevraagd om een overzicht van zijn sollicitaties in de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011. Appellant heeft in het door hem op 1 juni 2011 teruggestuurde overzicht geen sollicitaties vermeld. Als reden daarvoor heeft hij opgegeven dat er door zware bezuinigingen en krimp (dalend leerlingenaantal als gevolg van vergrijzing) geen vacatures waren. Appellant heeft het Uwv verder meegedeeld dat hij heeft meegewerkt aan een reddingsplan van de werkgever en dat hij wordt begeleid door loopbaanbegeleidings- en coachingsbureau La Vuelta.
1.3. Bij besluit van 22 juni 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 5 juli 2011 voor de duur van vier maanden gekort met 25%. Bij besluit van 31 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juni 2011 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv waren er voor appellant geen goede redenen om niet te voldoen aan de sollicitatieverplichting en is het niet nakomen van die verplichting hem ook te verwijten.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien waren volgens de rechtbank niet aanwezig.
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en zijn inspanningen om een werkkring buiten het onderwijs te vinden. Daartoe heeft hij in de periode na het intreden van zijn werkloosheid veel gesprekken gevoerd met jobcoaches, loopbaanbegeleiders en zijn huisarts en onderhandeld om een niet bestaande functie bij voetbalclub [naam voetbalclub] van de grond te krijgen. Uiteindelijk is het appellant gelukt om een contract te krijgen als teammanager van het eerste elftal van die voetbalclub van aanvankelijk acht uur, wat inmiddels is uitgebreid naar zestien uur. Appellant beschouwt deze functie als een droombaan, mede gezien zijn leeftijd en achtergrond, en meent dat hem geen verwijt treft van het niet-solliciteren in de maanden maart en april 2011.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hieruit blijkt dat de sollicitatieverplichting voortvloeit uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Appellant is met het besluit van 17 januari 2011 op de hoogte gesteld van de inhoud van die verplichting, te weten gemiddeld ten minste één sollicitatie per week.
4.2. Het voeren van gesprekken door appellant met voetbalclub [naam voetbalclub] over een nieuw te creëren functie kan als concrete sollicitatieactiviteit worden gezien. De gesprekken met jobcoaches, loopbaanbegeleiders en de huisarts daarentegen zijn niet als sollicitaties te beschouwen. Het Uwv en de rechtbank hebben dan ook terecht vastgesteld dat appellant in de onderzochte periode niet heeft voldaan aan de eis van gemiddeld ten minste één sollicitatie per week.
4.3. Omstandigheden op grond waarvan deze overtreding van de sollicitatieverplichting appellant niet of niet volledig is te verwijten zijn niet gebleken. De omstandigheden waarin appellant verkeerde waren niet zo uitzonderlijk, dat van hem niet verlangd kon worden om zich aan zijn sollicitatieverplichting te houden.
4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) D.E.P.M. Bary
QH