ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9781

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-4661 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vergoeding bezwaarkosten na kracht van gewijsde uitspraak

Appellant had eerder een beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein, waarbij de rechtbank deze besluiten vernietigde en het college veroordeelde tot schadevergoeding en proceskosten, maar geen vergoeding van bezwaarkosten toekende. Appellant diende daarna afzonderlijke verzoeken in voor vergoeding van bezwaarkosten op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke door het college werden afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de Awb niet toelaat dat appellant opnieuw een verzoek om vergoeding van bezwaarkosten indient na een uitspraak met kracht van gewijsde. Appellant stelde in hoger beroep dat de Awb geen belemmeringen kent voor een dergelijk hernieuwd verzoek.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de eerdere uitspraak van de rechtbank, die geen veroordeling tot vergoeding van bezwaarkosten bevatte ondanks een tijdig verzoek, kracht van gewijsde heeft gekregen. Hierdoor was het college terecht geweigerd om de nieuwe verzoeken te honoreren. Tevens werd vastgesteld dat artikel 7:15 Awb Pro een exclusief kader vormt voor vergoeding van bezwaarkosten, waardoor een zelfstandig schadebesluit niet mogelijk is.

De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd, waarbij het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten terecht is afgewezen.

Uitspraak

11/4661 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juni 2011, 10/3437 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)
Datum uitspraak 7 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij uitspraak van 10 augustus 2009, 08/1222, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van het college van 11 maart 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de besluiten waartegen bezwaar was gemaakt van 14 september 2007 en 25 september 2007 herroepen. Daarbij heeft de rechtbank het college veroordeeld tot het betalen van vergoeding van schade, proceskosten in beroep en griffierecht. De rechtbank heeft geen veroordeling in de bezwaarkosten uitgesproken, terwijl daarom wel tijdig, dat wil zeggen voordat met het besluit van 11 maart 2008 op de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2007 en 25 september 2007 was beslist, was gevraagd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.2. Appellant heeft vervolgens op 1 december 2009 bij het college twee afzonderlijke verzoeken ingediend om vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2007 en 25 september 2007 op de voet van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover vereist heeft appellant het college verder verzocht om een zelfstandig schadebesluit.
1.3. Bij besluit van 25 januari 2010 heeft het college de verzoeken afgewezen.
1.4. Bij besluit van 3 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het systeem zoals vormgegeven in artikel 8:72 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 7:15 van Pro de Awb niet toelaat dat appellant alsnog een hernieuwd verzoek om vergoeding van bezwaarkosten kan indienen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft kort gezegd aangevoerd dat in de gegeven situatie de Awb geen belemmeringen kent voor het opnieuw doen van een verzoek om vergoeding van bezwaarkosten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In haar uitspraak van 10 augustus 2009 heeft de rechtbank ondanks een tijdig ingediend verzoek om vergoeding van bewaarkosten, geen veroordeling van het college tot vergoeding in de bezwaarkosten uitgesproken. Mede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank de besluiten van 14 september 2007 en 25 september 2007 heeft herroepen moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien gebruik te maken van haar bevoegdheid tot een veroordeling van het college in de bezwaarkosten. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, heeft die uitspraak kracht van gewijsde gekregen. Hieruit volgt dat het college terecht de afzonderlijk na die uitspraak gedane verzoeken van appellant aan het college om vergoeding van de bezwaarkosten op de voet van artikel 7:15 van Pro de Awb heeft afgewezen.
4.2. Voor zover appellant heeft verzocht om een zelfstandig schadebesluit wordt erop gewezen dat uit de strekking van artikel 7:15 van Pro de Awb moet worden afgeleid dat de in dit artikel opgenomen regeling een exclusief kader vormt voor vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Voor vergoeding van deze kosten via een verzoek om een zelfstandig schadebesluit is dan ook geen plaats.
4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) J.T.P. Pot
HD