ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante ontving sinds april 2008 een WIA-uitkering. Het UWV besloot in mei 2010 de uitkering te beëindigen omdat zij het werk weer kon verrichten. Appellante diende een wijzigingsformulier in waarin zij een verslechtering van haar gezondheid meldde en een operatie aankondigde. Het UWV weigerde het besluit te herzien, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het wijzigingsformulier geen expliciet bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit inhield en dat de medische situatie niet zodanig was veranderd dat herziening mogelijk was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk nieuwe medische stukken had overgelegd die een verslechtering aantonen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe stukken niet in aanmerking konden worden genomen omdat zij pas in hoger beroep waren ingebracht en niet bij het herzieningsverzoek of bezwaar. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.