ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8476

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-2038 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om terugkomen van arbeidsongeschiktheidsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant werd in 1989 geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht. In 2007 diende appellant via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale een aanvraag in voor een WAO-uitkering, waarbij werd verzocht terug te komen op het besluit van 1989. Het UWV wees dit verzoek af, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit afwijzende besluit ongegrond, waarbij zij het rapport van een bezwaarverzekeringsarts betrok die bevestigde dat de medische situatie sinds 1989 niet was veranderd. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, stellende dat de ingezonden medische verklaringen geen nieuwe feiten bevatten en dat het UWV in redelijkheid tot zijn besluit kon komen.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het eerdere vonnis zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 24 april 2013.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit van 1989 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/2038 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 februari 2011, 10/2675 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 24 april 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 maart 2013. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 19 september 1988 wegens longklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid als productiemedewerker bij een vleesgroothandel.
1.2. Bij besluit van 14 augustus 1989 heeft de toenmalige rechtsvoorganger van het Uwv, de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, aan appellant per 20 september 1989, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, geen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wetten.
1.3. Bij besluit van 3 juni 1996 is namens voormelde bedrijfsvereniging besloten niet terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989, omdat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het beroep van appellant tegen dit besluit is door de rechtbank Amsterdam bij in rechte onaantastbaar geworden uitspraak van 26 maart 1997 (AAW/WAO 96/6308/40) ongegrond verklaard.
2. Op 12 september 2007 heeft de Caisse Nationale de Sécurité Sociale te Casablanca - onder overlegging van enkele medische verklaringen - zich tot het Uwv gewend met een aanvraag voor appellant van een uitkering op grond van de WAO. Daarbij is te kennen gegeven dat appellant in 1989 Nederland om gezondheidsredenen had verlaten. Dit verzoek is door het Uwv uiteindelijk opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989.
3. Bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het naar aanleiding van voormeld verzoek genomen afwijzende besluit van 25 januari 2010 gehandhaafd op grond van de motivering dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het rapport van 3 mei 2010 van de betrokken bezwaarverzekeringsarts voldoende blijkt dat geen sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Ter ondersteuning van voormelde aanvraag van 12 september 2007 zijn namens appellant vorenbedoelde medische verklaringen ingezonden. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 3 mei 2010 heeft vastgesteld bevatten de ingezonden verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden, aangezien reeds in 1989 bekend was dat appellant leed aan een chronische astmatische longaandoening met een allergie. Daarvan uitgaande kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel.
5.2. Uit hetgeen onder 5.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) Z. Karekezi
QH