ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging maatschappelijke opvang van kwetsbare vreemdeling onrechtmatig verklaard
Appellant, een kwetsbare vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd de toegang tot maatschappelijke opvang ontzegd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk, stellende dat appellant geen procesbelang meer had omdat hij feitelijk adequate hulp ontving.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte het moment van beëindiging van de opvang buiten beschouwing liet en dat appellant wel degelijk procesbelang heeft. De Raad benadrukt dat appellant als kwetsbaar persoon bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op privéleven en fysieke en psychische integriteit waarborgt.
De Raad stelt vast dat het college de beëindiging van de maatschappelijke opvang niet uitsluitend kan baseren op het ontbreken van een rechtmatige verblijfstatus. Het besluit ontbeert een deugdelijke motivering en wordt vernietigd. Tevens wordt het besluit dat het bezwaar tegen de beëindiging ongegrond verklaarde herroepen. Het hoger beroep tegen de weigering van de bbb-regeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer heeft.
Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De maatschappelijke opvang die appellant ontving wordt als toereikend beschouwd in het licht van artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: Besluit tot beëindiging van maatschappelijke opvang wordt vernietigd wegens strijd met artikel 8 EVRM en onvoldoende motivering.