ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- H.G. Rottier
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete WW-uitkering wegens niet opgegeven zelfstandige uren
Appellant ontving vanaf 24 maart 2003 een WW-uitkering en kreeg vanaf 24 januari 2005 toestemming voor oriëntatie op een eigen bedrijf. Vanaf 4 april 2005 werd de uitkering verminderd vanwege zelfstandige werkzaamheden, die uiteindelijk op 5 juni 2006 volledig werden beëindigd.
Het UWV stelde vast dat appellant niet alle zelfstandige werkzaamheden had opgegeven en herzag de uitkering met terugvordering van € 16.429,76 en een boete van € 1.650,-. Na bezwaar en herbeoordeling door de toetsingscommissie ZZP werd de terugvordering en boete verlaagd. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de boete evenredig was.
Appellant voerde in hoger beroep aan onvoldoende geïnformeerd te zijn en verwees naar een eerdere uitspraak, maar de Raad oordeelde dat de werkbriefjes en verstrekte informatie ondubbelzinnig waren en dat appellant een eigen onjuiste interpretatie had gevolgd. Ook was geen dringende reden voor terugvordering aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en de evenredigheid van de boete. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering en boete worden bevestigd.