ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellanten ontvingen bijstand als alleenstaanden, maar het college vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Na onderzoek en diverse verklaringen concludeerde het college dat appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en daarom geen recht hadden op bijstand als alleenstaanden.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar handhaafde de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 2000 tot 1 juni 2009. Appellanten voerden onder meer aan dat hun verklaringen onrechtmatig waren verkregen, dat er sprake was van psychische problemen en dat zij ten onrechte zonder tolk waren gehoord. Ook stelden zij dat het college ontlastend bewijs buiten beschouwing had gelaten en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat de verklaringen en getuigenverklaringen betrouwbaar en consistent waren, en dat het college terecht uitging van een gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen, en dat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2012 bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.