ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op Bbz-uitkering na bedrijfsbeëindiging en terugvordering
Appellante ontving een Bbz-uitkering die werd toegekend tot uiterlijk 1 juli 2008, met de verplichting haar bedrijf uiterlijk voor die datum te beëindigen. Het college beëindigde de uitkering per 1 juni 2008 vanwege daadwerkelijke bedrijfsbeëindiging en vorderde teveel ontvangen uitkering terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante stelde dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van de bedrijfsbeëindiging voor de uitkering en dat zij mocht vertrouwen op voortzetting tot 1 juli 2008. Ook betoogde zij dat terugvordering gezien haar omstandigheden onaanvaardbaar was.
De Raad oordeelde dat het college niet onzorgvuldig had gehandeld, omdat appellante duidelijk was gewezen op de beëindigingsverplichting en de voorwaarden van de uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Bbz-uitkering en terugvordering bevestigd.