ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht hoofdverblijf
Appellante ontving sinds 1988 bijstand als alleenstaande. In 2009 ontving de sociale dienst een anonieme tip dat zij sinds 2006 samenwoonde met haar vriend, waarna een onderzoek volgde met dossieronderzoek, buurverklaringen, observaties en een huisbezoek. Op basis hiervan werd bijstand ingetrokken en teruggevorderd vanaf 9 mei 2006.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onbevoegdheid van het bestuursorgaan, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het bevoegde dagelijks bestuur het besluit bekrachtigde. In hoger beroep betwistte appellante dat zij haar hoofdverblijf had verplaatst, maar de Raad vond voldoende bewijs dat zij sinds mei 2006 hoofdzakelijk bij haar vriend verbleef.
Bewijzen waren onder meer haar eigen verklaring, het lage waterverbruik, verklaringen van een buurvrouw, observaties en het huisbezoek waaruit bleek dat de woning aan het opgegeven adres niet bewoond werd. De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht was geschonden door het niet melden van de verhuizing van het hoofdverblijf, en dat mantelzorg geen ander oordeel rechtvaardigt. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand gehandhaafd wegens schending van de inlichtingenplicht over het hoofdverblijf.