ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak op WIA-uitkering bij geschil over arbeidsongeschiktheid
Appellante vordert in hoger beroep een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had op 5 maart 2010 vastgesteld dat de aanspraak op uitkering ingaat vanaf 14 april 2010. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 10 oktober 2006 tot 16 oktober 2008, mede omdat appellante in die periode een WW-uitkering ontving en zich beschikbaar stelde voor arbeid.
In hoger beroep richt appellante zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en betwist het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid niet eerder dan april 2008 is ingetreden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling juist is en dat er geen aanwijzingen zijn voor een eerdere doorlopende arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 maart 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.