ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AAW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, geboren in 1955, ontving sinds 1976 een AAW-uitkering wegens jeugdige arbeidsongeschiktheid. In 1997 werd deze uitkering ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% werd geacht. In 2009 verzocht appellant om heropening van de uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid, onderbouwd met medische rapporten en een vragenlijst uit 2001.
Het UWV weigerde heropening, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het besluit uit 1997 konden wijzigen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in 2010 dat er geen toename was van medische beperkingen binnen vijf jaar na intrekking, ondanks een in jeugd opgelopen hersenletsel en hepatitis C. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de vragenlijst uit 2001 geen nieuwe aanvraag was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt vast dat de contusio cerebri geen nieuw feit is omdat deze dateert uit 1959 en eerder ingebracht had kunnen worden. Ook de arbeidskundige bezwaren zijn niet nieuw. Er is geen sprake van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na intrekking, zodat heropening op grond van artikel 32a AAW niet mogelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de AAW-uitkering blijft van kracht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de AAW-uitkering blijft gehandhaafd.