ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering Ziektewet-uitkering bij vrijwillige verzekering en inkomenskorting
Appellant, een meewerkend eigenaar van een grondverzetbedrijf en vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW), ontving van 15 december 2006 tot en met 11 december 2008 een ZW-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat appellant gedurende deze periode inkomsten had, waardoor de ZW-uitkering ten onrechte deels was betaald. Het UWV vorderde daarom een bedrag van €38.397,01 terug.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat het UWV niet alle relevante stukken had overgelegd, dat artikel 31 van Pro de ZW niet op hem van toepassing was, dat de terugvordering verjaard was en dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens verlies van procesbelang, maar de Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat het beroep gegrond was.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de inkomsten van appellant heeft verrekend met de ZW-uitkering op grond van artikel 31, tweede lid (oud), van de ZW, ook bij vrijwillige verzekering. De Raad verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat appellant als vrijwillig verzekerde had moeten begrijpen dat inkomsten invloed hebben op de uitkering. Ook werd het beroep op verjaring afgewezen, omdat het terugvorderingsbesluit tijdig was genomen.
De Centrale Raad verklaarde het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.