ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellant heeft op 26 maart 2009 bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de aanvraag afgewezen op grond van het feit dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [B.]. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het beroep ongegrond verklaarde, is appellant in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft vastgesteld dat appellant en [B.] gedurende de relevante periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek onder meer uit financiële verstrengeling, gezamenlijke kosten en het gebruik van elkaars eigendommen. De Raad oordeelde dat deze feiten en omstandigheden de grenzen van een louter zakelijke relatie overschrijden en dat appellant en [B.] als gehuwden moeten worden aangemerkt volgens artikel 3 van Pro de WWB.
Gevolg hiervan is dat appellant niet als zelfstandig subject recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De afwijzing van de aanvraag door het college was daarmee terecht. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen omdat hij een gezamenlijke huishouding voert en daardoor niet als alleenstaande bijstand kan ontvangen.